de kabouters in het huis

.

 

Kabouters komen oorspronkelijk uit de noordelijke streken, zij leven in goud- en kristalmijnen, in boomstronken, in grotten en ook onder de grond. Kabouters zijn welwillend en wijs, niet groter dan een hand, ze zijn oud en leven heel lang. Zij worden vaak verward met andere kleine wezens als de elfen en de aardmannetjes, maar het belangrijkste verschil zit hem in hun karakter. De kabouters hebben een opgewekt en lief karakter, ook al zijn ze verlegen en wantrouwend naar de mensen toe, daarom leven ze teruggetrokken en blijven ze mysterieus. Kabouters hebben een veel grotere wijsheid dan de mensen, zij kennen de toekomst en zij slagen erin om goudmijnen en schatten te vinden in het diepste van de aarde. Zij hebben enorme kennis van de magische krachten van kruiden en metalen en uit planten halen zij geneesmiddelen voor allerlei ziektes. Zij kennen de taal der dieren, zij bewaken de schatten van de natuur, zij fokken geiten en zij bakken koekjes. Deze wezens zijn als beschermengelen, die ons altijd vergezellen. Zij houden ons in de gaten op gevaarlijke momenten en zij geven ons raad in onze slaap over moeilijke beslissingen die we moeten nemen. De kabouters beschermen de feeën en als de feeën bijeenkomen en tussen de bomen door vliegen, stellen de kabouters zich om hen heen op om ze te beschermen. Ondanks dat het verlegen wezens zijn, helpen zij de mensen. De mannetjes hebben een lange witte baard en dragen een rode puntmuts. De vrouwtjes dragen ook een puntmuts, maar een groene en terwijl de mannetjes werken, houden de vrouwtjes zich bezig met de kinderen en het huishouden. In de huizen helpen ze de mensen, ze doen dat ’s nachts, zo kunnen ze rustig werken zonder dat ze gezien worden. Als de mensen de mogelijkheid hebben om de wereld van de kabouters te bezoeken (en dat is maar aan weinigen gegeven) nemen zij hun lichaamslengte aan en worden dus klein. De huizen van de kabouters worden gemaakt van rotsblokken, ze zijn heel degelijk en comfortabel, maar ze zijn onzichtbaar voor mensen. Hun huizen bevinden zich over het algemeen dicht bij een waterval waarvan zij hun water krijgen. Zij kunnen vuur maken met het hout van dennenbomen, terwijl ze van berken stokjes maken waarvan ze het ene uiteinde als tandenstokers gebruiken en het andere als tandenborstel. Als huisdier houden ze de lemming, een knaagdier wat familie is van de hamster.